Kennisbank
Bouwkundige begrippen en bouwdelen, uitgelegd in gewone taal: wat het is, waar je het tegenkomt en welke normen of rekenwaarden erbij horen — nagerekend door een bouwkundig ingenieur.
Categorieën
- Fundering & grondwerk — binnenkort
- Ruwbouw & constructie
- Daken & gevels — binnenkort
- Afbouw & interieur — binnenkort
- Bouwmaterialen — binnenkort
- Bouwfysica & isolatie
- Installaties & energie — binnenkort
- Architectuur & erfgoed — binnenkort
- Bouwproces & regelgeving — binnenkort
- Wonen & vastgoed — binnenkort
A–Z
B
- Bekisting — Tijdelijke mal van hout, staal of systeemelementen waarin betonspecie wordt gestort en uithardt tot een maatvast constructiedeel; na voldoende sterkteontwikkeling wordt de bekisting verwijderd (ontkisten).
- Betonrot — Betonrot is schade waarbij de stalen wapening in beton gaat roesten; het uitzettende roest drukt de betondekking eraf, zichtbaar als afschilferend beton, roestsporen en blootliggende staven.
- Breedplaatvloer — Systeemvloer opgebouwd uit dunne prefab betonplaten (doorgaans 50–70 mm) met ingestorte tralieliggers, die op de bouwplaats als verloren bekisting dienen en worden afgestort met een betondruklaag tot één samengestelde constructievloer.
C
- Casco — Het constructieve geraamte en de omhulling van een gebouw — fundering, dragende wanden, vloeren, dak en gevel — wind- en waterdicht opgeleverd, maar zonder afbouw en installaties.
D
- Damp-open bouwen — Damp-open bouwen is een bouwwijze waarbij de constructie waterdamp gecontroleerd kan doorlaten en afstaan, met lagen die van binnen naar buiten steeds dampopener worden, zodat inwendige condensatie wordt voorkomen.
- Dampscherm — Dampremmende of dampdichte laag aan de warme zijde van de isolatie die voorkomt dat vochtige binnenlucht de constructie intrekt en ter hoogte van het dauwpunt condenseert.
- Dauwpunt — Temperatuur waarbij lucht met een gegeven vochtgehalte volledig verzadigd raakt (100% RV) en waterdamp begint te condenseren tot vloeibaar water.
- Dilatatie — Een bewust aangebrachte doorgaande voeg die een constructie in vrij beweegbare delen splitst, zodat uitzetting, krimp en zettingsverschillen worden opgevangen zonder scheurvorming.
- Draagmuur — Een draagmuur is een muur die naast zijn eigen gewicht ook belastingen uit vloeren, dak of bovenliggende bouwdelen opneemt en afdraagt naar de fundering; hij maakt deel uit van de hoofddraagconstructie.
F
- Faseverschuiving — De tijd in uren die een warmtegolf nodig heeft om van de buitenzijde door een constructie naar binnen te dringen; een hoge waarde betekent dat de hittepiek vertraagd en afgedempt binnenkomt.
G
- Gewapend beton — Constructiemateriaal waarbij betonstaal in vers beton wordt ingestort, zodat het staal de trekkrachten opneemt die beton zelf nauwelijks kan weerstaan.
H
- HEA-/HEB-balk — Warmgewalste stalen H-profielen (breedflensbalken) die worden toegepast om openingen in draagmuren te overbruggen. Het getal in de naam geeft de nominale hoogte in mm aan; bij HEB klopt die exact, een HEA is bij dezelfde naam iets lager en lichter.
- Houtskeletbouw (HSB) — Bouwmethode waarbij de dragende constructie bestaat uit een houten stijl- en regelwerk met beplating (bv. OSB) en isolatie tussen de stijlen; wanden worden vrijwel altijd prefab als elementen aangeleverd.
I
- Inwendige condensatie — Condensvorming ín een constructiepakket doordat diffunderend waterdamp een laag passeert die kouder is dan het dauwpunt; ook wel interstitiële condensatie genoemd.
K
- Kanaalplaatvloer — Prefab systeemvloer van (meestal voorgespannen) beton met doorlopende holle kanalen in de lengterichting, waardoor de plaat 30–50% lichter is dan een massieve betonvloer bij nagenoeg gelijke draagkracht.
- Kapconstructie — Een kapconstructie is het dragende, meestal houten geraamte van een hellend dak dat dakbeschot en dakbedekking draagt en de belasting afdraagt op muurplaten en dragende muren.
- Koudebrug — Een koudebrug is een plek in de gebouwschil waar de isolatielaag onderbroken of verzwakt is, waardoor warmte er sneller doorheen stroomt dan in de omliggende constructie.
- Koudeval — Een neerwaartse luchtstroom die ontstaat doordat lucht afkoelt langs een koud oppervlak (meestal glas), zwaarder wordt en als tocht langs de vloer de ruimte instroomt.
- Krimpscheur — Een krimpscheur is een fijne scheur in beton, metselwerk of stucwerk die ontstaat doordat het materiaal bij het uitdrogen wil krimpen maar daarin wordt belemmerd. Meestal cosmetisch van aard en constructief onschuldig.
L
- Lambda-waarde (λ) — De lambda-waarde (λ) is de warmtegeleidingscoëfficiënt van een materiaal in W/(m·K): hoe lager de waarde, hoe slechter het materiaal warmte geleidt en dus hoe beter het isoleert.
- Latei — Een latei is een draagbalk boven een gevel- of muuropening die het metselwerk en de belasting erboven opvangt en afdraagt naar de opleggingen aan weerszijden.
- Luchtdicht bouwen — Het zoveel mogelijk beperken van ongecontroleerde luchtlekken door de gebouwschil (kieren, naden, doorvoeren), gemeten als qv;10-waarde in dm³/s per m² bij 10 Pa drukverschil.
M
- Metselverband — Het patroon waarin metselstenen ten opzichte van elkaar verspringen, zodat stootvoegen niet boven elkaar vallen en de muur druk- en schuifkrachten spreidt over meerdere lagen.
O
- Onderstempelen — Onderstempelen is het tijdelijk ondersteunen van een vloer of constructie met bouwstempels zodat de belasting veilig wordt afgedragen terwijl een definitieve draagconstructie (balk, latei) wordt aangebracht.
- Oppervlaktecondensatie — Oppervlaktecondensatie is het neerslaan van vocht op het binnenoppervlak van een constructiedeel dat kouder is dan het dauwpunt van de binnenlucht, zichtbaar als beslagen ramen of natte plekken bij koudebruggen.
- Overspanning — De vrije afstand tussen twee steunpunten die een balk, latei of vloer moet overbruggen. Hoe groter de overspanning, hoe zwaarder het benodigde constructie-element.
P
- Prefab — Prefab (prefabricage) is het in een fabriek vervaardigen van bouwelementen die op de bouwplaats uitsluitend nog gemonteerd worden.
- Psi-waarde (ψ) — De psi-waarde (ψ) is de lineaire warmtedoorgangscoëfficiënt in W/(m·K): het extra warmteverlies per strekkende meter van een lineaire koudebrug, bovenop het verlies via de vlakken zelf.
R
- Rc-waarde — De Rc-waarde is de warmteweerstand van een bouwconstructie (m²·K/W): de som van de Rd-waarden van alle lagen. Hoe hoger, hoe beter geïsoleerd.
- Rd-waarde — De Rd-waarde is de gedeclareerde warmteweerstand van één materiaallaag of isolatieproduct in m²·K/W, berekend als dikte (m) gedeeld door de lambda-waarde (W/(m·K)).
- Relatieve luchtvochtigheid (RV) — De hoeveelheid waterdamp in lucht uitgedrukt als percentage van de maximale dampinhoud bij die temperatuur; bij 100% is het dauwpunt bereikt.
S
- Spouwanker — Een spouwanker is een metalen verbindingsstuk — tegenwoordig van roestvast staal — dat het binnenblad en het buitenblad van een spouwmuur aan elkaar koppelt en windbelasting van het buitenblad naar de dragende constructie overdraagt.
- Spouwmuur — Een spouwmuur is een buitenwand opgebouwd uit twee gemetselde bladen — een dragend binnenblad en een buitenblad (gevelmetselwerk) — met daartussen een lucht- of isolatiespouw die vocht tegenhoudt.
T
- Thermische massa — Thermische massa is het vermogen van een constructiedeel om warmte op te slaan en vertraagd af te geven, uitgedrukt als massa maal soortelijke warmte (J/K), waardoor temperatuurpieken in een gebouw worden gedempt.
- Thermische schil — De doorlopende laag van isolatie én luchtdichting die het verwarmde volume van een gebouw volledig omsluit — vloer, gevels, dak, ramen en deuren inbegrepen.
- Transmissieverlies — Transmissieverlies is het warmteverlies dat via geleiding door de constructiedelen van de thermische schil naar buiten stroomt, berekend als U × A × temperatuurverschil plus de bijdragen van lineaire koudebruggen (ψ × lengte).
U
- U-waarde — De U-waarde is de warmtedoorgangscoëfficiënt van een constructiedeel in W/(m²·K): hoeveel warmte er per m² per graad temperatuurverschil doorheen stroomt. Hoe lager, hoe beter geïsoleerd.
W
- Wapening — Betonstaal — in de vorm van staven, netten of beugels — dat in gewapend beton de trekkrachten opneemt die beton zelf niet aankan.